Glenn Jones, sympathieke meestergitarist

Solos for 6 & 12 string guitar. Dat is de ondertitel van Glenn Jones‘ soloalbums Against which the sea continually beats (2007) en This is the wind that blows it out (2004). Jones is een grote bewonderaar van John Fahey en dat is terug te horen in zijn muziek. Maar het is vooral de stijl en de klank van de gitaar die herinneringen oproept aan Fahey’s werk, dat een stuk ruiger en onconventioneler is, vooral op zijn latere albums. Jones speelt melodieuzer en vloeiender dan Fahey. Zijn instrumentale stukken klinken alsof gitaarspelen eigenlijk heel eenvoudig is. De titels van zijn nummers zijn ontleend aan uiteenlopende onderwerpen, zoals een favoriet kinderboek (David and the phoenix), een orchidee (Richard Nixon orchid, die bestaat echt) of ter herinnering aan een gestorven vriend (Heartbreak hill). Hoogtepunt van het 2007 album is het ruim 10 minuten durende The teething necklace (for John Fahey) waarin Jones een subtiel parcours van emoties weet op te roepen. Deze maand speelt hij in Hasselt en Den Haag en afgaande op een eerder optreden dat ik van hem zag, enkele jaren geleden in Schotland, is dat een speciale gebeurtenis. Dan koop ik ook muziek van hem, want aan het optreden zal hij weinig overhouden: een kaartje in Den Haag kost slecht € 3.
Tot slot: van zijn band Cul De Sac is Death of the sun uit 2003 een aanrader. Verder is er vorig jaar ter gelegenheid van Record Store day een split LP van Glenn verschenen onder de titel Even to win is to fail. De andere plaatkant bevat nummers van Charlie Parr, Black Twig Pickers & Sally (EeastMont syrup).

MP3     Glenn Jones – The Great Pacific Northwest

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

The Boy Who Cried Freebird


Ketelmuziek luistert niet alleen veel, héél veel, maar leest ook wel ‘ns een boek. Zo ben ik nu bezig in The Boy Who Cried Freebird: Rock & Roll Fables and Sonic Storytelling van Mitch Myers. Een hele mond vol, inderdaad. Maar het is een erg goed boek dat lekker wegleest.
The Boy Who Cried Freebird bevat verhalen van Myers die vaak al eerder zijn gepubliceerd. Voor een deel is het boek fictie, voor een deel popjournalistiek van de bovenste plank. En in sommige verhalen mengt Myers die twee. Zo zijn er mooie en doortimmerde verhalen te lezen over Doug Sahm, over Lou Reed’s Metal Machine Music en over Leo Kottke en John Fahey.
Maar Myers schrijft ook een vermakelijk verhaal over ‘aliens’ die de aarde veroveren, maar die bij het horen van Black Sabbath’s Paranoid uit elkaar spatten. Of een werkelijk prachtig verhaal over een ‘battle’ tussen jazz-drummer John Henry en DJ ‘Tha Kid’.
The Boy Who Cried Freebird is een plezier om te lezen. Eigenlijk jammer dat er in ons land niet op een dergelijk hoog nivo over popmuziek wordt geschreven.

MP3 Leo Kottke – Pamela Brown

Oude en nieuwe folk ontdekken


Ligt het aan mij, of is folkmuziek weer helemaal terug? Er is meer materiaal dan ooit verkrijgbaar, zowel van oude als nieuwe folk. Ik volg folkmuziek met enige regelmaat vanaf ongeveer 1975 en ik ontdek nog steeds nieuwe namen. Het begon met het lezen van de folkrubrieken in Oor en Melody Maker. Naast de bekende namen (Fairport Convention, John Martyn) kwam ik zo in aanraking met Roy Harper en Horslips (Ierse folkrock) die in de jaren 70 tot mijn favorieten behoorden. Later kwamen daar met terugwerkende kracht onder andere The Incredible String Band en Mr. Fox bij. Uit de Amerikaanse hoek maakte John Fahey de meeste indruk met zijn virtuoze steelstring gitaarwerk. Railroad I behoort tot mijn all time favorieten platen. Ik hoorde die plaat voor het eerst op de radio: bij John Peel natuurlijk. Ik heb Fahey één keer gezien toen hij in Paradiso optrad met Jim O’Rourke, eind jaren 90. Helaas was dat met elektrische gitaar, maar de sensatie om hem live te zie was er niet minder om. Een hedendaagse gitarist die niet voor Fahey onderdoet is Jack Rose. Hij maakt deel uit van de groep Pelt en treedt ook regelmatig solo op, zoals begin dit jaar in Worm (Rotterdam). Op bijna achteloze wijze tovert hij de meest onwaarschijnlijke melodieën en klanken uit zijn akoestische gitaar. Het gemak waarmee hij dit doet is voor mij het bewijs van zijn klasse. Op een tour cd staan zeven folkblues nummers waaronder St. Louis blues en een schitterende versie van Dark was the night. Helaas is deze gelimiteerde cd (zie het bovenstaande hoesje) uitverkocht, maar wie weet toch nog ergens verkrijgbaar. Glenn Jones van de groep Cul De Sac, zelf ook geen kleine jongen op de gitaar, is vol lof over Jack. Glenn’s laatste album uit 2006, het volledig instrumentale Against which the sea continually beats is wat gepolijster dan Jack’s werk, en is zowel beïnvloed door Fahey als Robbie Basho. En dat bedoel ik positief. De eigen songs (geen covers) worden door Glenn van een persoonlijke noot (!) voorzien in het fraai verzorgde cd boekje.

In het augustusnummer van The Wire staat een uitgebreid verhaal over Britse psychedelische folk die eind jaren 60 en begin jaren 70 is verschenen. Er zitten gelukkig aardig wat bekende namen tussen, dus ik hoef niet achter alle platen aan die worden besproken. Of het allemaal echt zo goed is als wordt beweerd is een vraag die nog even onbeantwoord moet blijven. Daarover een volgende keer meer. Voorlopig kan ik even vooruit met Steeleye Span’s heruitgave van Please to see the king met veel bonustracks en de mij volstrekt onbekende Mark Fry. Zijn enige album uit 1972, Dreaming with Alice, is in 2006 opnieuw uitgebracht op Sunbeam Records en is uiterst zeldzame en daardoor (?) een bijzondere plaat. Eerst horen, dan geloven!

MP3      Mark Fry – Down Narrow Streets

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.